Rainer Maria Rilke - poëzie als aandacht voor de wereld

18
May

In de bovenstaande uitzending van 'De nieuwe wereld' spreekt vertaler Gerard Kessels met de interviewer Jelle van Baardewijk over Rainer Maria Rilke (1875-1926), een dichter die nog altijd geldt als een van de grote stemmen van de Duitstalige literatuur. Aanleiding is Kessels nieuwe vertaling van Rilkes Nieuwe gedichten, een bundel die in het gesprek wordt gepresenteerd als een hoogtepunt in Rilkes oeuvre. De titel klinkt eenvoudig, bijna kaal, maar achter die eenvoud schuilt een radicale wending: Rilke keert zich af van louter innerlijkheid en religieuze bespiegeling, en richt zijn blik op de wereld zelf.

Gerard vertelt hoe hij Rilke leerde kennen via een dichtclub in Nijmegen. Daar las hij met anderen Rilkes Elegieën en Sonnetten, waarbij de deelnemers niet alleen bespraken wat de gedichten betekenden, maar er ook poëtisch op antwoordden. Later vertaalde hij Het Stunden-Buch (Het getijdenboek) — in het gesprek aangeduid als een religieus werk dat sterk aansloot bij zijn eigen katholieke achtergrond — en daarna kwam hij terecht bij Nieuwe gedichten. Juist die bundel noemt hij het hoogtepunt van Rilkes werk.

Centraal in het gesprek staat Rilkes vermogen om te kijken. In Parijs, onder invloed van Rodin en Cézanne, leert Rilke niet te wachten op inspiratie, maar te werken, te observeren, zich open te stellen voor het ding buiten hem. Het beroemde gedicht “De panter” wordt daarvan het voorbeeld bij uitstek. De panter loopt achter tralies, in kleine rondes, krachtig maar tegelijk gebroken. Zijn blik is zo moe geworden dat hij niets meer ziet. In die gekooide dierlijke kracht herkennen de sprekers ook iets menselijks: de moderne mens die zijn energie voelt, maar niet altijd kan leven naar wat er in hem huist.

Ook andere gedichten uit Nieuwe gedichten komen aan bod. In “Ontmoeting in de Kastanjelaan” verschijnt een figuur even in het licht, bijna als een spiritueel moment dat direct weer verdwijnt. In “De koning” wordt macht ontmaskerd als ritueel: een jonge koning lijkt diep in gewetensnood, maar telt slechts traag tot zeventig voordat hij zijn handtekening zet. Rilke blijkt hier niet alleen mystiek of verheven, maar ook scherp observerend.

De uitzending krijgt een diepere toon wanneer het gesprek gaat over Rilkes omgang met dood en transformatie. In “Orpheus. Eurydice. Hermes” wordt Eurydice niet voorgesteld als iemand die terug wil naar het leven, maar als iemand die al geheel in haar dood is opgenomen. De dood is bij Rilke geen buitenwereld die moet worden overwonnen, maar een werkelijkheid die in het leven zelf moet worden meegenomen. Ook “Leda” en “Abisag” tonen Rilkes fascinatie voor lichamelijkheid, mythe, ouderdom, verlangen en metamorfose.

Aan het einde noemt Gerard nog Das Buch der Bilder (Het boek der beelden) als volgend vertaald werk, naast zijn vertalingen van De Elegieën van Duino en De Sonnetten aan Orpheus. Zo ontstaat in deze uitzending het beeld van Rilke als dichter van aandacht: iemand die door lang en precies kijken de werkelijkheid laat oplichten — soms als dier, soms als geliefde, soms als dood, soms als goddelijke aanwezigheid.

GEDICHTENBUNDELS VAN RAINER MARIA RILKE VERTAALD DOOR GERARD KESSELS




Terug naar overzicht