Vers 29 van de Daodejing stelt een radicale vraag: kan de mens de wereld verbeteren door haar naar zijn eigen wil te vormen? De Chinese wijze Lao Zi antwoordt ontkennend. J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri schrijven in De Chinese Gnosis dat juist deze tekst vaak is misverstaan. De moderne mens is immers gewend ide wereld te zien als iets dat voortdurend bewerkt, hervormd en beheerst moet worden. Daartegenover plaatst Lao Zi het beeld van 'het rijk' als een 'heilige offervaas': niet zomaar een politieke of maatschappelijke orde, maar de aarde en de 'hemel-aarde' als een door de Logos voorbereide ruimte waarin een goddelijk wordingsplan tot vervulling moet komen.
De kern van dit beeld is dat de wereld niet eigendom is van de mens. Zij is geen werkplaats voor de zelfhandhaving van het ik, maar een heilige ruimte waarin de mens zelf tot wording moet komen. De auteurs benadrukken dat het plan van menswording niet kan falen, omdat achter deze ontwikkeling de 'altijd levende vijgenboom' staat: een offerende geestelijke kracht die de mensheid niet loslaat. Toch wordt de mens niet gedwongen. De overgang naar ware evolutie moet plaatsvinden in eenheid, vrijheid en liefde, en vereist een nieuwgeboren ziel.
Daarmee krijgt Lao Zi’s waarschuwing een scherpe betekenis: 'Als de mens het rijk wil vervolmaken met actie, zie ik dat hij niet slaagt.' Niet elke activiteit wordt afgewezen, maar wel de activiteit die voortkomt uit ikcentraliteit. Wie vanuit het natuurgeboren ik de wereld wil redden, raakt verstrikt in dezelfde krachten die de verwarring hebben veroorzaakt. Volgens hoofdstuk 29-I van De Chinese Gnosis bederft men de offervaas wanneer men haar benadert vanuit dialectische motieven: grijpt men ernaar, dan verliest men haar.
Het tweede deel van de uitleg, hoofdstuk 29-II, verdiept dit proces innerlijk. De mens bezit volgens de auteurs een monade of godsvonk, maar ook een ikbewustzijn en een karmisch of astraal zelf. Wanneer het ik niet luistert naar de impuls van de monade, reageert het astrale zelf. Dat bewaart ook de gevolgen van verkeerde reacties en confronteert de mens via smart, pijn en levensmoeilijkheden met zijn eigen verleden. Juist daardoor kan de mens uiteindelijk leren luisteren naar de stem van de monade. De weg naar overwinning is dus geen uiterlijke machtsgreep, maar een proces van zelfverwerkelijking.
In 29-III wordt dit praktisch gemaakt. De mens moet in de wereld zijn plicht doen tegenover degenen met wie hij verbonden is, maar niet méér dan dat. Hij mag zijn leven niet verliezen in overmatige activiteit, concessies aan de natuur van de doods of de illusie dat deze wereld op zichzelf volmaakt gemaakt kan worden. Daarom luidt de beslissende zin: 'Niemand kan twee heren dienen.' Men kan niet tegelijk God dienen en het astrale zelf.
Hoofdstuk 29 roept dus niet op tot passiviteit, maar tot zuivere gerichtheid. De mens moet ophouden de wereld te grijpen, om zelf geschikt te worden voor Tao. Ware verandering begint niet bij beheersing van het rijk, maar bij bevrijding van het ik dat het rijk wil bezitten.
INHOUDSOPGAVE VAN ‘DE CHINESE GNOSIS’
Woord vooraf
Inleiding – De verheven wijsheid van Lao Tse
- Zijn en niet-zijn
- Woe wei
- Maak geen ophef van eerwaardigheid
- Tao is ledig
- De alopenbaring is niet menslievend
- De geest van de vallei sterft niet
- De macrokosmos duurt eeuwig
- Het hart van de wijze is diep als een afgrond
- Men moet van de gevulde vaas afblijven
- Wie het ik onderwerpt zal met liefde het rijk regeren – De wijze zal in volmaakte rust zijn – De mysterieuze deugd
- Er is geen ledige ruimte
- Gezicht, gehoor, smaak
- Hoge gratie en degradatie zijn dingen van vrees
- Kijk naar Tao en ge ziet het niet – De draad van Tao
- De vijf eigenschappen van de goede filosofen – De onzuiverheden van het hart
- Het opperste ledig
- Het volk en zijn vorsten
- Toen Tao verwaarloosd werd, kwamen menslievendheid en gerechtigheid
- Weg met het weten! – Doe afstand van de dingen
- Laat varen uw studie – De wereld is een wildernis geworden – Ik alleen ben anders dan de gewone mensen
- Tao in zijn schepping is vaag en verward – Tao, de grote kracht in het midden – De wedergeboorte in Tao
- De vier grote mogelijkheden – De wijze maakt zich tot een voorbeeld in de wereld – Het onvolmaakte zal volmaakt worden
- Wie weinig spreekt is ‘vanzelf’ – Wie gelijk is aan Tao, verkrijgt Tao – Niet voldoende geloof hebben, is geen geloof hebben
- Zelfzucht – De muren van Jericho – Toewijding aan Tao
- Godsdienst en theologie – Vóór hemel en aarde bestonden, was er een vaag wezen – De viervoudige wet van Tao
- Het zware is de wortel van het lichte – De drie kruisen – Het drievoudige meesterschap
- Het alleen-goede – Hij die goed gaat, laat geen sporen achter – Hij die goed spreekt, geeft geen reden tot blaam – De wijze munt altijd uit in het helpen van mensen – Dubbel verlicht zijn – Hij die geen waarde hecht aan macht heeft de alwijsheid verkregen
- De vallei van het rijk – De altijddurende deugd – De wijze zal het hoofd van de werkers zijn
- De heilige offervaas – De weg naar de overwinning – Niemand kan twee heren dienen
- Niet met geweld van wapens – De ware goede slaat met vrucht één slag – Vanaf het toppunt van kracht worden de mensen en de dingen oud
- De beste wapens zijn instrumenten van onheil – De vergiftiging van het menselijke levensveld – Heb uw vijanden lief – De liefde van de gnostiek-magische mens – Gij zijt het zout der aarde – Het reinigende zout
- Hemel en aarde zullen zich verenigen – Het volk zal tot harmonie komen
- Hij die zichzelf kent, is verlicht – Hij die zichzelf overwint, is almachtig – Hij die sterft en niet verloren gaat, geniet het eeuwigdurende leven
BOEKEN OVER TAOÏSME