De wolk van niet-weten


Nederlands | 12-08-2020 | 160 pagina's

€ 24,90


   POD (Beschikbaar als print-on-demand.)



   Retourtermijn binnen 30 dagen (met uitzondering van e-books)

   Gratis bezorging vanaf € 20,00


Korte beschrijving/Annotatie

Vertaling van een geschrift uit het hoogtepunt van de Engelse mystiek rond 1380.


Tekst achterflap

Uit verlangen naar innerlijke vrede leggen velen zich toe op meditatie in de hoop zo ook te komen tot de mystieke beleving van het hogere of goddelijke. Vandaar dat er een groeiende belangstelling bestaat voor oude mystieke en gnostische teksten. Dit maakt De wolk van niet-weten opnieuw actueel.

Met deze tekst bereikte de Engelse mystiek omstreeks 1380 haar hoogtepunt. De auteur is een anonieme Engelse mysticus, die put uit de zuiverste bronnen van de mystieke literatuur. Hij geeft blijk die traditie goed te kennen, maar ook persoonlijk te hebben verwerkt, hetgeen zijn woorden authenticiteit verleent. Vanuit een sterke gedrevenheid beschrijft hij de innerlijke relatie met God als een kennen en ervaren dat uiteraard verborgen blijft. Het is als een kennen en ervaren van een Licht dat in een wolk is gehuld.

De auteur geeft een directe, praktische en levendige inleiding tot deze ‘duistere schouwing’. Zijn Engelse achtergrond kleurt dit werk weldadig, want bij alle mystiek blijft hij nuchter, pragmatisch, humoristisch, discreet en sober. Deze schouwing voltrekt zich heel concreet, in een handelen door niet te handelen en te weten door niet te weten, want denken en willen kunnen niets onthullen van het mysterie van Gods verborgenheid. Een boek voor wie dit begrijpt: dat wil zeggen voor ieder die het leest en er, zonder pretenties, naar tracht te leven. Het boek werd vertaald door monniken van de Abdij van Egmond. De inleiding werd geschreven door André Zegveld.


Inhoudsopgave

OVERZICHT VAN DE HOOFDSTUKKEN:

  1. Over de vier stadia van het christelijk leven, en over de roeping van hem voor wie dit boek geschreven werd.
  2. Een dringende aansporing om in nederigheid het door dit boek beoogde werk aan te vatten.
  3. Hoe het door dit boek beoogde werk gedaan moet worden, en dat het meer waard is dan alle andere werk.
  4. Over de kortheid van dit werk, en dat het niet verworven kan worden door het ongestadig zoekende verstand, noch door de verbeelding.
  5. Dat ten tijde van dit werk al de schepselen die ooit hebben bestaan, die nu bestaan, of ooit zullen bestaan, en al de werken van die schepselen, verborgen moeten worden onder de wolk van vergeten.
  6. Een kort overzicht van het door dit boek beoogde werk, aan de hand van een vraag.
  7. Hoe men zich bij dit werk te gedragen heeft ten opzichte van alle gedachten, en in het bijzonder ten opzichte van al die gedachten die opkomen uit de eigen ongestadigheid en uit het natuurlijk verstand.
  8. Over twijfels die bij dit werk kunnen opkomen, behandeld aan de hand van een vraag: de vernietiging van ’s mensen ongestadigheid en van zijn natuurlijk verstand; het onderscheid van de stadia en van de delen van het actieve en contemplatieve leven.
  9. Dat ten tijde van dit werk de gedachte aan het heiligste schepsel dat God ooit maakte meer hindert dan van voordeel is.
  10. Hoe men kan weten of zijn gedachten zondig zijn of niet; en of het dan, zo zij zondig zijn, een doodzonde of een dagelijkse zonde is.
  11. Dat men iedere gedachte en elke opwelling moet afwegen naar wat het is, en dat men niet zorgeloos mag zijn met betrekking tot de dagelijkse zonde.
  12. Door de kracht van dit werk wordt niet alleen de zonde vernietigd, maar ook verwerft men er deugden door.
  13. Wat nederigheid eigenlijk is; wanneer deze volmaakt en wanneer ze onvolmaakt is.
  14. Dat zonder voorafgaande onvolmaakte nederigheid het voor een zondaar niet mogelijk is in dit leven te geraken tot de volmaakte deugd van nederigheid.
  15. Een kleine weerlegging van de dwaling van hen die zeggen dat er geen volmaaktere reden is om nederig te zijn dan de gedachte aan de eigen ellende.
  16. Dat door de kracht van dit werk een zondaar die zich werkelijk bekeert en die geroepen is tot de beschouwing, sneller tot de volmaaktheid komt dan door een ander werk; en dat hij zo het snelst van God vergeving van zonden zal verkrijgen.
  17. Dat de ware contemplatief zich niet bemoeit met het actieve leven, noch met wat met betrekking tot hemzelf gedaan en gezegd wordt; en ook antwoordt hij niet tot zijn eigen verontschuldiging hen die hem laken.
  18. Hoe tot op deze dag de actieven zich over de contemplatieven beklagen, zoals Marta deed over Maria; dat van dit beklag onwetendheid de oorzaak is.
  19. Een klein excuus van schrijver dezes voor het feit dat hij leert dat de contemplatieven het de actieven volstrekt niet kwalijk moeten nemen dat zij hen met woorden en daden aanklagen.
  20. Hoe de almachtige God geestelijk zal antwoorden in de plaats van al diegenen die, om niet te hoeven ophouden Hem lief te hebben, zichzelf niet verontschuldigen.
  21. De juiste uitleg van het evangeliewoord: Maria heeft het beste deel gekozen.
  22. Over de wonderlijke liefde die Christus had voor Maria, die het symbool is van alle zondaars die zich werkelijk bekeerd hebben en die geroepen zijn tot de genade der beschouwing.
  23. Hoe God geestelijk zal antwoorden en zorgen voor hen die wegens hun liefde voor Hem verhinderd zijn om voor zichzelf te antwoorden of te zorgen.
  24. Wat liefde eigenlijk is, en hoe deze op subtiele wijze volmaakt vervat ligt in het door dit boek beoogde werk.
  25. Dat iemand die volmaakt is, ten tijde van dit werk voor niemand enige voorkeur heeft.
  26. Dat zonder een speciale en grote genade, of zonder lang met de gewone genade geleefd te hebben, het door dit boek beoogde werk echt zwaar is; en wat hierin het werk van de mens is, geholpen door Gods genade, en wat het werk van God.
  27. Wie zich zou moeten wijden aan het door dit boek beoogde werk van genade.
  28. Dat niemand het mag wagen om zich aan dit werk te wijden voordat hij zich naar recht en geweten gezuiverd heeft van al zijn zonden.
  29. Dat men zich geduldig op dit werk moet toeleggen, de lasten daarvan moet dragen, en niemand mag oordelen.
  30. Wie andermans fouten mag laken en veroordelen
  31. Hoe iemand die met dit werk begint zich moet gedragen ten aanzien van al zijn gedachten en zondige neigingen.
  32. Over twee listen die van nut kunnen zijn voor iemand die met het door dit boek beoogde werk begint.
  33. Dat iemand door dit werk gezuiverd wordt van de zonden die hij begaan heeft en van de zondestraf; en hoe er desondanks geen volmaakte rust is in dit leven.
  34. Dat God deze genade vrij en zonder enige tussenkomst geeft, en dat zij niet verdiend kan worden.
  35. Over de drie middelen waaraan de beginneling in de beschouwing zich moet wijden: lezen, overdenken en bidden.
  36. Over de overweging van degenen die zich gestaag toeleggen op het door dit boek beoogde werk.
  37. Over de bijzondere gebeden van hen die zich gestaag toeleggen op het door dit boek beoogde werk.
  38. Hoe en waarom het korte gebed tot in de hemel doordringt.
  39. Hoe een volmaakt contemplatief moet bidden, wat gebed eigenlijk is, en welke woorden het meest overeenkomen met de aard van het gebed voor het geval dat me met woorden bidt.
  40. Dat iemand ten tijde van dit werk geen speciale aandacht schenkt aan een van zijn ondeugden, noch aan een van zijn deugden.
  41. Dat men bij alles wat men doet maat moet houden, behalve bij het werk van de beschouwing.
  42. Dat men enkel en alleen door mateloosheid in dit werk de maat zal kunnen houden in al het andere.
  43. Dat men alle kennis en ervaring omtrent zichzelf moet verliezen, indien men de volmaaktheid van dit werk tijdens het leven werkelijk wil ondervinden.
  44. Wat iemand zelf moet doen om ook alle kennis en ervaring omtrent zichzelf te vernietigen.
  45. Een goede uiteenzetting over enkele vormen van misleiding die zich bij dit werk kunnen voordoen.
  46. Een goede uiteenzetting hoe men deze misleiding zal ontvluchten, en hoe men meer moet werken met het elan van de geest dan met de onstuimigheid van het lichaam.
  47. Een fijnzinnige uiteenzetting over de zuiverheid van geest, waarin wordt getoond hoe iemand zijn verlangen op een andere manier aan God moet tonen dan aan de mensen.
  48. Hoe God door de mensen met lichaam en ziel gediend wil worden en hen in beide beloont; en hoe men zal kunnen weten of al die stemmen en zoetheid welke men ten tijde van het gebed lichamelijk ervaart goed zijn of slecht.
  49. Dat de volmaaktheid in wezen niets anders is dan een goede wil; en hoe alle stemmen en troost en zoetheid die je in dit leven ten deel kunnen vallen maar bijkomstig zijn.
  50. Wat zuivere liefde is; en hoe bij sommigen zekere gevoelige troost slechts zelden voorkomt, en bij anderen vaak.
  51. Dat men er goed op moet letten iets niet lichamelijk op te vatten dat geestelijk is bedoeld; in het bijzonder geldt dit voor de woorden ‘in’ en ‘op’.
  52. Hoe aanmatigende jonge leerlingen het woord ‘in’ misverstaan; en over de vormen van misleiding die daarvan het gevolg zijn.
  53. Over allerlei onbetamelijke gedragingen welke voorkomen bij degenen die het door dit boek beoogde werk niet beoefenen.
  54. Hoe men uit kracht van dit werk heel wijs en heel ordentelijk wordt, zowel naar ziel als naar lichaam.
  55. Hoe zij die in hun vurigheid van geest zonder onderscheidingsvermogen de zonde veroordelen, misleid worden.
  56. Hoe diegenen misleid worden die meer steunen op het ongestadig zoekende natuurlijk verstand en op geleerdheid die men bij mensen opdoet, dan op de gewone leer en de raad van de heilige kerk.
  57. Hoe aanmatigende jonge leerlingen dat andere woord -‘op’ -misverstaan; en over de vormen van misleiding die daarvan het gevolg zijn.
  58. Dat men sint Martinus en sint Stefanus niet als voorbeeld kan laten gelden om zijn verbeelding tijdens het gebed lichamelijk opwaarts te richten.
  59. Dat men de lichamelijke hemelvaart van Christus niet als voorbeeld kan laten gelden om zijn verbeelding tijdens het gebed lichamelijk opwaarts te richten; en dat men tijd, plaats en lichamelijkheid, deze drie, bij alle geestelijke werkzaamheid moet vergeten.
  60. Dat de voornaamste en kortste weg naar de hemel wordt afgelegd door het verlangen, en niet met de voeten.
  61. Dat volgens de orde van de natuur al het materiële onderworpen is aan en bestuurd wordt door het geestelijke, en niet andersom.
  62. Hoe iemand kan weten of zijn geestelijk werk onder hem is of buiten hem, en wanneer het op gelijk niveau met hem is of binnen in hem, en wanneer het boven hem is, zij het onder God.
  63. Over de vermogens van de ziel in het algemeen, en hoe de geest het voornaamste vermogen is, dat al de andere vermogens en waarmee deze werken in zich bevat.
  64. Over de twee andere voorname vermogens, het verstand en de wil; en hoe deze werken, voor en na de zondeval.
  65. Over het eerste minder voorname vermogen, de verbeelding; en hoe deze werkt en aan het verstand gehoorzaamt, voor en na de zondeval.
  66. Over het tweede minder voorname vermogen, het gevoel; en hoe dit werkt en aan de wil gehoorzaamt, voor en na de zondeval.
  67. Dat hij die de vermogens van de ziel en hun werking niet kent, gemakkelijk misleid kan worden bij het begrijpen van geestelijke woorden en werken; en hoe men door de genade tot ‘een god’ gemaakt wordt.
  68. Lichamelijk nergens is geestelijk overal; en hoe onze uiterlijke mens het door dit boek beoogde werk niets noemt.
  69. Hoe ’s mensen uiterlijk wonderlijk verandert bij de geestelijke ervaring van dit ‘nergens’ gewrochte ‘niets’.
  70. Dat wij, zoals wij het snelst geestelijke dingen begrijpen wanneer onze lichamelijke kennis faalt, ook het snelst komen tot de kennis van God wanneer onze geestelijke kennis faalt, voor zover dat door de genade mogelijk is.
  71. Dat sommigen de volkomenheid van dit werk slechts kunnen ervaren in extase, en anderen haar bezitten wanneer zij willen, gewoon zoals zij zijn.
  72. Dat iemand die zich op dit werk toelegt een ander contemplatief niet mag beoordelen, afgaande op zijn eigen ervaring.
  73. Hoe wij volgens de gelijkenis van Mozes, Besaleël en Aäron in hun zorg voor de verbondsark op drie wijzen delen in de genade der beschouwing; want de ark is een beeld van deze genade.
  74. Dat men uit dit boek nooit mag voorlezen noch erover spreken, en dat men er ook een ander nooit uit mag horen voorlezen of erover spreken, tenzij men ook werkelijk bereid is dit werk ten uitvoer te brengen. De opdracht welke in de proloog reeds werd gegeven, wordt hier nog eens herhaald.
  75. Over enkele tekens waaruit men met zekerheid kan opmaken of men door God tot dit werk geroepen wordt. Het eerste hoofdstuk. Over de vier stadia van het christelijk leven, en over de roeping van hem voor wie dit boek geschreven werd.



Details

    EAN :9789063501204
    Uitgever :Karnak, Uitgeverij
    Publicatie datum :  12-08-2020
    Uitvoering :Paperback / softback
    Taal :Nederlands
    Hoogte :210 mm
    Breedte :130 mm
    Dikte :15 mm
    Gewicht :223 gr
    Status :POD (Beschikbaar als print-on-demand.)
    Aantal pagina's :160
    Keywords :  mystiek God middeleeuwen Engeland niet weten wolk